De techniek

Vanaf halfweg de 19de eeuw gebruikte men vooral witbakkende klei (ingevoerd uit Andenne en later uit het Westerwald in Duitsland) soms vermengd met roodbakkende lokale klei (kenmerkend voor het Bredens Aardewerk). Zoals bovenvermeld paste men vooral de graffitotechniek toe die werk ingekleurd met metaaloxides. Kobaltoxide voor blauw, koperoxide voor groen en mangaanoxide voor de bruine kleur. Daarop kwam een laagje loodmenie die bij het bakken ongeveer 960 °C een mooie glans gaf. Bij het te dik glazuren of te hoge temperatuur ging het loodglazuur te veel vloeien en trok deze de kleuroxides mee naar beneden.

In Torhout daarentegen mengde men de oxides met de witbakkendek klei en werd als slib op de voorwerpen aangebracht. Dit gaf het voordeel dat men figuren en teksten in laagreliëf kon aanbrengen zonder dat de kleuren dooreen liepen, omdat de kleurstof werd vastgehouden in de klei. De Torhoutse manier van werken noemde men het “procedé appliqué” of oplegwerk. Deze wijze van inkleuren bracht de Kortrijkse pottenbakkers (die overvloedig figuratief aardewerk maakten) op het idee om dit procedé toe te passen op de beeldjes wat ook gevolgd werd door Scheerders Vande Kerckhove in Sint Niklaas. In Brugge echter werd meestal het zogenaamde “procedé flammé” toegepast. De techniek waarbij de kleuren met een verfkwast op de voorwerpen werden geschilderd zodat zij tijdens het bakken op ongeveer 960 °C als sierlijke “vlammen” in elkaar overvloeien.

Lees ook de andere artikels
Het Aardewerk uit andere Vlaamse centra: de Poterie Flamande
Lees meer
Het Vlaams Aardewerk van Gilbert J. Monteyne (G.J.M.)
Lees meer