Het Torhouts Aardewerk

De geschiedenis van het Torhouts aardewerk gaat terug tot de 15de eeuw met de pottenbakkerij nabij het kasteel van Wijnendale. Vanaf de 16de eeuw vinden we ook in het centrum erkende “pottebackers”. Er waren hoofdzakelijk drie generaties pottenbakkers aan het werk: de families ROOSE (1609-1820), WILLEMYNS (1783-1885) en MAES (1885-1939). De periode Willemyns vormde een eerste hoogtepunt van het sieraardewerk met o.a. de typische vuurkorfjes. De productie Maes verwierf grote bekendheid met het art nouveau-aardewerk van Leo Maes. Er waren in Torhout nog enkele ateliers actief o.a. Embrechts-Genouw (1924-1929).

$Met het Torhouts Aardewerk wordt een traditie bedoeld die van bijzonder belang is voor onze gewesten. Sinds de 16de eeuw bakten (in chronologische volgorde) de generaties Roose, Acke, Willemyns en Maes er allerlei gebruiksvoorwerpen, die vooral onder het impuls van Leo Maes (1864-1941) tot gegeerde siervoorwerpen zullen uitgroeien. Leo Maes was eer in keramiek geïnteresseerd eb begon in 1878 kunstvoorwerpen te bakken, aanvankelijk voor vrienden en kennissen, later voor tal van hoogwaardigheidsbekleders. Het is zijn grote verdienste geweest de ambacht van z’n voorgangers (vaders August Maes en Antoon Willemyns) aan te vullen en uit te diepen. In 1897 sluit hij een belangrijk contract af met een ingenieur uit Rumbeke, Laigniel, waarbij deze laatste het Torhouts Aardewerk van nieuwe ontwerpen zal voorzien (getekend door Vierin) en de afgewerkte producten in hoeveelheid zal afnemen en verspreiden. Deze samenwerking loopt spaak in 1989, omdat Laigneil (die druk promotie voerde) in binnen-en buitenland aanspraak maakte op een vernieuwing van Maes: het blauwe kleur. Leo Maes had deze in het Torhouts Aardewerk geïntroduceerd om het een blijer en minder somber uitzicht mee te geven van de typische groen-bruin-geel dominanten van de vroegere generaties. Na een geschil verwerft Maes het octrooi voor blauw in 1899, waarvan hij in 1910 het koloriet zal versterken met het zogenaamde ‘kobaltblauw’.

Intussen had het Torhouts Aardewerk een enorme bekendheid gekregen en werden de ontwerpen gesigneerd door kunstschilders als Vallaeys, Goddyn,... . Onder de ambitieuze Leo Maes werd de ambachtelijke kleinschalige creatie verbonden met het stijlontwerp en de distributie, zodat het Torhouts Aardewerk wereldwijde bekendheid zal verwerven als charmant siervoorwerp in typsiche sombere toonaarden van kleur.

Vooral de Art Nouveau of Jugendstil, zal het Torhouts Aardewerk tot op het einde van de jaren ’30 in gans Vlaanderen zijn weerslag krijgen: men denkt aan de nieuwe opgerichte pottenbakkerijen in Kortrijk door Laigniel, het werk van Noséda, Caessens gebr en de Société d’Art alsook de firma Scheerders Van Kerckhove te Sint Niklaas, de Bredense pottenbakkerij van Bourgognie en tenslotte de Brugse pottenbakkerijen Van De Voorde, Den Uil langs de Steenkaai en voorop de pottenbakkerij Willemyns aan de Sint Pietersgroenestraat. Allen begonnen ze het Torhouts Aardewerk te kopiëren en veelal met “made in belgium” te voorzien, bestemt voor de uitvoer. Het verspreiden op grote schaal van de verworvenheden (door overlopende dienstknechten) maakte dit aardewerk bij het grote publiek bekend als Poterie Flamande.

Door te toenemende gemechaniseerde concurrentie, de crisisjaren, het duurder worden van de grondstoffen, de stijgende loonkosten, het wegvallen van de goedkope leerjongens en het tijdrovende en kleurverkwistende Torhouts procedé (mengen van kleurstoffen en klei), zag zijn zoon en opvolger Amand Maes zich verplicht het bedrijf stop te zetten in 1939.

Aardewerk bestond aanvankelijk uit gebruiksvoorwerpen (zoals dakpannen, maar ook drinkkroezen, schotels, patelen, bloemstaands en suikerpotjes, asbakken en tabakspotten, bierpotten en keersepannen, broodschalen, tooiberden zowel als allerhande vazen) die zich door hun versiering in de stijlkunst zullen profileren. De ruwheid van het Torhouts Aardewerk had rechtstreeks te maken met de gebruikte aarde (lokaal en roodbakkend) waardoor geen fijne bewerking mogelijk was. Er drong zich dan ook een gelijkaardige versiering op. In het begin behielp men zich met het inkrassen in de roodbakkende klein van figuren om daarna opnieuw in te vullen met witte klei. Na het begieten met loodglazuur bekwam men alzo het rood-bruin-geel effect van het bekende middeleeuwse aardewerk zoals bijvoorbeeld borden en tegels. Deze laatste werden in een latere periode van een laagje witte slib voorzien waarop dan een betere versiering kon aangebracht worden. In torhout werden hoofdzakelijk vazen, cache-pots en bloembakken vervaardigd en zelden figuratief aardewerk. In tegenstelling tot Kortrijk en Brugge waar een massaproductie werd vervaardigd van figuurtjes. Enkel bij Willemyns en Van De Voorde werd na de 2de wereldoorlog nog poterie flamande op beperkte schaal gemaakt.

Lees ook de andere artikels
Het Aardewerk uit andere Vlaamse centra: de Poterie Flamande
Lees meer
Het Vlaams Aardewerk van Gilbert J. Monteyne (G.J.M.)
Lees meer